In de gang rook het muf. Niet het soort muf
van een huis waar al lang geen poetsbeurt was geweest, Deze werd immers wekelijks
uitgevoerd. Het was een mufheid van een oud huis. Van een oud pand waar
al te veel generaties gegeten hadden. Waar al te veel nieuwjaarsrecepties
gehouden waren.
Bij de voordeur
stond een tafeltje met kanten kleed. De asbak die ervoor zorgde dat het katoen
op zijn plek bleef was zwaar. Kristal waar nooit een peuk of sigaar tegenaan
had geleund. Voorzichtig, met het koord als demping, werd er een sleutel in
gelegd. De ochtendzon die door de uitgesneden ramen kwam schetste een lange
schaduw op het verweerde tapijt dat netjes twee vierde van de gang bedekte.
Voorzichtig slopen
Boris’ sokken de trap op. Inmiddels kende hij de trap en gleed omhoog,
gebruikmakend van de leuning -op tactische plekken- en van de zijkanten van de
treden. Bovengekomen, verloste hij zijn buikje en hield zijn gesp vast. Nou de
klink nog. Trekken, draaien en op het einde een zacht duwtje. “This
ain’t no place for no hero”. Or was it?
Hij was er bijna.
Drie meter was Boris vandaan van ‘the perfect crime’. Clarisse lag er vredig
bij, al was het aan de verkeerde kant van het bed. Vijf meter dan toch.
Langzaam verdeelde hij zijn gewicht en wurmde zich als een ware Steenheuvel naast
zijn adellijke dame.
Boris had de
nacht overleefd en hoopte op een laat ontbijt.

1 opmerking:
Volgens mij is Clarisse heel erg lief
Een reactie posten